Nieuwsbrief Klad

1 februari 2006 :
Aquafin, de resultaten

Op het eind van vorig jaar berichtten we nog van de uitzonderlijke vondst van een boomstamwaterput op het aquafintracé in Knesselare. Ondertussen is de begeleiding van de eerste fase volledig afgewerkt en grotendeels verwerkt, waardoor een kort voorstellen van de resultaten op zijn plaats lijkt.


Toen bleek dat bij het openleggen van het ongeveer 2km lange en 15m brede tracé dwars door Knesselare en Aalter 7 archeologisch interessante zones werden gedetecteerd ging de KLAD samen met W. De Clercq (Ugent) en de Afdeling Monumenten & Landschappen onderhandelen met bouwheer Aquafin. Uiteindelijk kon die laatste overhaald worden om voor het resterende terreinwerk 2 projectarcheologen en voor de verwerking 1 projectarcheoloog te financieren. We overlopen de resultaten chronologisch.

De oudste vondst is een fragment mijnsilex, mogelijk te dateren vanaf het Midden-Neolithicum. Over de oudste tastbare grondsporen is er niet echt duidelijkheid. De eerste zone die werd aangesneden (zone I) bestond o.a. uit een circulaire greppel, die helaas geen enkel scherfje opleverde. De slecht bewaarde structuur met een doorsnede van 3,5m blijft voorlopig ongedateerd, maar komt voor van Bronstijd tot en met Romeinse periode.

In zone VII werden op een zandige verhevenheid in het landschap naast vrij duidelijke sporen ook heel wat uitgeloogde opgemerkt. Op basis van het aardewerk dat erin voorkwam kunnen we ze in de Late IJzertijd (500 – 50 v.C.) plaatsen. Een concentratie aan paalsporen bleek mogelijk te behoren tot een huisplattegrond. Opvallend zijn de uitgewerkte twee ingangen die tegenover elkaar in de lange zijde liggen. De sleuf snijdt het gebouw dwars waardoor de uiteinden niet konden onderzocht worden, en waardoor er ook geen uitspraken kunnen gedaan worden over totale lengte of type. De zone wordt afgesloten met een gracht waar niet ver vandaan nog enkele verspreide paalsporen en een mogelijke waterputaanzet zijn te vinden.

Uit de daaropvolgende Romeinse periode (50 v.C. - 400 n.C.) stammen de meeste resten. Het gaat niet enkel om nederzettingssporen daar zelfs twee brandrestengraven (zone VIa) werden aangesneden. Verder naar het noorden bevond zich in zone II een zeer dense concentratie aan sporen : een Romeinse nederzetting. Het is in deze zone dat de boomstamwaterput zich bevond. De zone wordt afgesloten door twee keer twee parallelle grachten, maar daarbuiten bevinden zich nog veel perceleringsgrachten (zone I). Niet ver van de nederzetting vinden we in zone III tussen deze grachten een ingangspartij met vlakbij twee vierpalige spiekertjes die wellicht dienden voor graanopslag.

De middeleeuwen zijn met drie tot vier zones ook goed vertegenwoordigd (zone IV, zone V, zone VI en zone VII), helaas konden geen duidelijke gebouwen of andere structuren uit de paalsporen en grachten opgemaakt worden. Ook resten van recentere perceleringen werden opgemerkt.


De balans voor een in se beperkte ingreep in het landschap is opmerkelijk te noemen. Het belangrijkst is echter dat een tot nu toe archeologisch ongekend gebied met deze dwarsdoorsnede heel wat nieuwe inzichten heeft opgeleverd.



het KLAD-team