22 februari 2006 : Kluizendok - Nieuwsbrief 1,
Archeologisch proefsleuvenonderzoek 2005-2006
Naar aanleiding van de uitbreiding van de Gentse zeehaven voert de Universiteit Gent, in samenwerking met de Provincie Oost-Vlaanderen, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en de Kale-Leie Archeologische Dienst archeologisch onderzoek uit ter hoogte van Kluizen (Evergem), wijk ’t Zandeken. Een gebied van zo’n 170ha moet binnen een periode van circa 9 maand worden onderzocht.
Voorlopig heeft alleen nog maar vooronderzoek en evaluerend onderzoek plaatsgegrepen. Door middel van proefsleuven – één kraanbak breed en met een tussenafstand van circa 15m – wordt het gehele terrein afgetast op sporen en andere materiële resten uit het verleden. De lengte en de oriëntatie van de proefsleuven wisselt: ze worden aangelegd volgens de korte of de lange zijde van het te sonderen perceel. Zijn er archeologische sporen aanwezig, dan wordt de sleuf op deze plaats verbreed om een beter inzicht te krijgen in de aard en de grootte van de aangetroffen structuren en een eventuele datering ervan mogelijk te maken. Na ongeveer anderhalve maand terreinwerk is op deze manier net geen 45 onderzocht.
De oudste vondst wijst op de aanwezigheid van mensen in Kluizen tijdens de Midden-Steentijd (tussen 10000 en 6000 voor Chr.). Kenmerkend voor deze periode zijn de zgn. microklingen, dit zijn kleine langwerpige afhakingen uit vuursteen die door de toenmalige jager-verzamelaars werden gebruikt voor de vervaardiging van allerlei jachtwapens en werktuigen. Eén dergelijke microkling werd ontdekt ter hoogte van ‘t Hultjen. De onregelmatige vorm ervan doet vermoeden dat het uit de eerste helft van de Midden-Steentijd afkomstig is.
Een stuk jonger zijn de greppels en grachten die zijn aangetroffen ter hoogte van ‘t Zandeken. Hun aanwezigheid is vastgesteld over verschillende hectaren. Vaak zijn ze niet veel breder dan een halve meter, maar exemplaren met een breedte tot een meter vormen geen uitzondering. Ze kennen een oriëntatie die gericht lijkt op de hoofdwindrichtingen dit in tegenstelling tot de huidige percellering. Dit verschil in oriëntatie kan duiden op een zekere ouderdom, maar hoe oud ze precies zijn is momenteel onduidelijk. De greppels hebben tot op heden nog geen vondsten opgeleverd. Onderzoek in de ons omliggende landen toont aan dat de Romeinse landindeling vaak volgens de hoofdwindrichtingen is georiënteerd. Tevens bezitten deze percelen gestandaardiseerde afmetingen, zelfs in de gebieden die een eind van de Romeinse centra gelegen zijn. We hopen dan ook in de komende weken de snijpunten tussen de verschillende percelen aan te snijden zodat we kunnen nagaan of ze volgens het Romeinse systeem zijn aangelegd. Vaak ook worden op deze contactpunten tussen de verschillende percelen deposities gebracht. Indien we zo’n depositie aantreffen zou dit heel wat dateerbaar materiaal kunnen opleveren. Daarnaast gaan we de komende weken en maanden ook op zoek naar de bijbehorende bewoning. Voorlopig beschikken we over twee aanwijzingen die erop wijzen dat er een nederzetting in de buurt moet liggen. Ten eerste werd in de jaren 1980 bij werkzaamheden vlakbij Romeins aardewerk aangetroffen. De tweede aanwijzing is een waterput. Hij kwam aan het licht vlakbij twee van deze greppels Een boring in de put toont aan dat de put meer dan twee meter diep is. Op de bodem ervan werden twijgjes aangetroffen wat kan wijzen op de aanwezigheid van een beschoeiing in vlechtwerk.
Ongedateerd blijven voorlopig ook de vele rechthoekige kuilen (18 in totaal) die verspreid liggen over het gehele onderzoeksgebied. De afmetingen verschillen (van 1m op 0,70m tot 2,5m op 1,5m), maar steeds bezitten ze een houtskoolrijke lens op de bodem. Sommige exemplaren vertonen tevens een roodverbrande rand, wat op verhitting ter plaatse wijst. Deze variatie in grootte en enigszins ook in vulling kan wijzen op een verschil in functie en/of ouderdom. Voorlopig tasten we op beide punten echter nog volledig in het duister. Verder onderzoek, het nemen van wat bulkmonsters en het dateren op houtskool, afkomstig uit de onderste laag van de kuilen, kan dit raadsel helpen ophelderen. Slechts één kuil leverde tot op heden een vondst op: een stukje verbrand bot op. Toeval of niet maar deze kuil bevindt zich in de nabijheid van de andere bewoningsporen ter hoogte van ’t Zandeken.
Yves Perdaen & Pieter Laloo
Projectarcheologen
Universiteit Gent
|