1 oktober 2006 : Knesselare-Aquafin fase 2
Eind 2006 werden in erg natte omstandigheden maar liefst 7 zones met archeologische sporen onderzocht op het Aquafintracé Knesselare - Aalter-Brug fase 1.
In de tweede helft van augustus van dit jaar controleerde de KLAD fase 2 van het traject, opnieuw met resultaat.
De vermoedelijk oudste vondst is deze vuurstenen pijlpunt die ruim te dateren valt in de prehistorie, mogelijk gaat het om een exemplaar uit het neolithicum tot de bronstijd.
Helaas gaat het om een losse vondst, waarvan de herkomst niet nader bepaald kon worden.
Ook enkele andere fragmenten bewerkte vuursteen werden ontdekt, een datering is echter onmogelijk.
Van jongere oorsprong zijn een heel pak paalsporen in zone IV.
Deze grondverkleuringen clusteren binnen een zone die net op een zandige en drogere opduiking binnen het landschap ligt.
Tussen de verschillende palen konden verbanden gezien worden, waardoor een aantal gebouwtjes herkend werden.
Het gaat om rechthoekige constructies die bestaan uit 4, 6, 8 of tot 12 palen.
Vermoedelijk gaat het om bijgebouwen behorend tot een groter erf.
Alhoewel grotere paalsporen werden opgemerkt kon door de beperkte breedte van het tracé geen groter hoofdgebouw herkend worden.
De weinige scherfjes in de vulling van de paalsporen doen vermoeden dat dit erf uit de Late IJzertijd zou kunnen stammen, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat ook tijdens de Romeinse periode deze tradities nog doorleefden.
Op de rand van de zandige kop werd in een aantal windvallen heel wat aardewerk gerecupereerd dat ontegensprekelijk heel wat La Tène-vormen bevat, en dus eveneens in de Late IJzertijd te dateren valt.
Net zoals bij de opvolging van het vorige aquafintracé is ook dit keer de meest voorkomende periode de Romeinse.
In zones I en II werden diverse sporen van bewoning aangesneden.
Het gaat daarbij vooral om kuilen, grachten en hier en daar ook wat verspreide paalsporen.
En opnieuw zoals bij fase 1 werd in de huidige fase centraal in zone I een grote ronde kuil (in doorsnede 4m) herkend.
Deze waterput was bovenaan blijkbaar opgevuld met twee 3m lange boomstronken en ander hout.
Onderaan in de put zat acentraal een verdrukte en ineengeklapte houten beschoeiing.
De bekisting bestond blijkbaar uit verticale planken bijeengehouden door horizontale verstevigingsplanken.
Enkele van deze planken konden dendrochronologisch gedateerd worden door Kristof Haneca (UGent) met een veldatum tussen 4 v.C. en 8 n.C.
Er kwam redelijk wat materiaal uit de bovenste vulling.
Niet alleen kwam er een bijna volledige beker in dunwandig aardewerk boven, ook een grote voorraadpot of dolium bleek in de put verzeild te zijn.
Een versierde terra sigillata, enkele handgemaakte scherven, wat kruikwaar, grijs aardewerk een stuk van een maalsteen en fragmenten van dakpannen vervolledigen het beeld.
De context kan geplaatst worden in de late 1e eeuw tot 2e eeuw.
Op het eerste zicht is er een contradictie met de datering van het hout van de beschoeiing.
Mogelijk heeft men de waterput op een bepaald ogenblik terug uitgegraven en hergebruikt, of heeft men de depressie van de oorspronkelijke waterput pas later opgevuld met afval.
De waterput bewijst wel dat er in de directe omgeving een belangrijke nederzetting aanwezig moet zijn geweest.
De opvolging van deze 2e fase van het Aquafintracé Knesselare - Aalter-Brug toont duidelijk aan dat opnieuw het potentieel van deze regio bewezen werd.
Een nederzetting uit de Late IJzertijd met enkele bijgebouwen, een nederzetting uit de Romeinse periode met een waterput en enkele losse vondsten uit de steentijden werden onderzocht.
Het KLAD-team
|